Wereldgemeenschap

De bahá'í-religie onderscheidt zich door haar plan voor een wereldgemeenschap en een wereldcultuur.

Haar regels zijn goddelijk van aard omdat ze in door Bahá'u'lláh zelf geopenbaarde geschriften gegeven zijn en ze het de mensen makkelijk maken om er in mee te werken.

De Bahá'í-leringen en homoseksualiteit

Vertaald vanuit: https://www.bahai.us/bahai-teachings-homosexuality/

Overzicht

Mensen denken daar verschillend over. Ze hebben andere waarden en overtuigingen. Te vaak leiden deze verschillen tot twist, conflict, onrecht, lijden, onderdrukking en sociale instabiliteit.

Bahá'ís geloven dat de hele mensheid één is, onder de genade van een al liefhebbende Schepper. Door de nadruk te leggen op de essentiële geestelijke waardigheid en vrijheid van elke ziel, bevestigt Bahá'u'lláh dat "het geloof van niemand door iemand anders dan zichzelf kan worden geconditioneerd". Onze uitdaging is dan om samen te leren leven, met respect voor individuen en groepen, elk met hun eigen perspectieven op de realiteit, terwijl we een eenheid in verscheidenheid van denken en handelen bevorderen waardoor vooruitgang en een vreedzame sociale orde kunnen worden bereikt.

Tegenwoordig wordt de kwestie van homoseksualiteit over de hele wereld en op verschillende manieren in verschillende samenlevingen vaak op een tweeslachtige manier (het is goed of fout) aangepakt en vraagt het alleen om bevestiging of afwijzing. Het wordt dus als een nulsomspel (de som van de uitkomst van het ‘spel’ is altijd nul) voorgesteld, die dicteert dat de samenleving een bepaalde vorm moet aannemen, en degenen die een andere mening hebben als immoreel of onverdraagzaam beschouwt. Bahá'ís nemen geen deel aan dit conflict en zien de zaak dan ook complexer en genuanceerder. Het is niet gepast om andere mensen te dwingen tot geloofskwesties. Iedereen moet zijn eigen keuzevrijheid kunnen uitoefenen. Elke poging om een bepaald perspectief of uitkomst op te leggen aan dat deel van de mensheid dat het er niet mee eens is, zal waarschijnlijk alleen krachten ontketenen die zich verzetten tegen zo’n verandering, waardoor conflicten, lijden en wanorde worden verergerd.

De kern van de onenigheid is een verschil in perspectief over het kader voor seksuele ethiek. Historisch gezien zijn religieuze geloofssystemen in verschillende culturen een primaire bron van moreel inzicht en orde geweest. Heilige teksten of tradities bevatten verschillende wetten en vermaningen die op de een of andere manier gedrag dat voortkomt uit neigingen en verlangens die van nature in mensen voorkomen, omleiden of beperken. In meer recente eeuwen was ethisch denken over seksualiteit vaak gebaseerd op het perspectief dat door de natuurwet werd geboden: menselijke seksualiteit was verbonden met voortplanting, die verband houdt met echtelijke vereniging en een uitdrukking was van een aangeboren menselijk doel, en bijgevolg werd goed seksueel gedrag beschouwd als het beperkte gedrag rond voortplanting. Bepaalde hedendaagse opvattingen dagen dit perspectief uit en suggereren dat een kader van seksuele ethiek in plaats daarvan gebaseerd zou moeten zijn op menselijke psychologie, die de nadruk legt op persoonlijke aspiratie en vervulling. In deze visie hebben de belangrijkste waarden voor seksuele ethiek niet betrekking op bepaalde handelingen, maar op instemming en ervoor zorgen dat een individu niet alleen het vóórwerp wordt van de actie van een ander.

Het bahá'í-kader van seksuele ethiek is geworteld in de leringen van Bahá'u'lláh. Voor Zijn volgelingen vertegenwoordigen de voorschriften en raadgevingen in deze leringen "de levensadem voor alle geschapen dingen", "de lampen" van Gods "wijsheid en liefdevolle voorzienigheid", en dus moeten ze in acht worden genomen, zoals Bahá'u'lláh aandringt, "met vreugde en blijdschap, want dit is het beste voor u, besefte u het maar." Dit kader bevestigt de waarde van de seksuele impuls, verwerpt seksueel puritanisme, maar erkent de noodzaak van een goede expressie en zelfbeheersing. Het staat in contrast met de tolerante normen van de hedendaagse tijd, die de neiging hebben om seksuele vrijheid boven andere doelen en waarden te plaatsen. Bahá'u'lláh bevestigt dat het gezin het fundament is van de samenleving en de beschaving, dat het huwelijk tussen een man en een vrouw is, "opdat zij iemand voortbrengen die over God zal spreken", en dat seksuele relaties alleen zijn toegestaan tussen een paar dat met elkaar getrouwd is. Deze leringen worden uiteengezet in de Geschriften van Bahá'u'lláh en in de gezaghebbende uitspraken van 'Abdu'l-Bahá en Shoghi Effendi. Ze zijn niet vatbaar voor verandering door het Universele Huis van Gerechtigheid, het besturende lichaam van het Bahá'í-geloof.

Een van de fundamentele waarheden van het Bahá'í-geloof is dat het geweten niet kan worden afgedwongen. Ieder mens heeft recht op vrijheid van geweten en geloof. Ieder is uiteindelijk verantwoording verschuldigd aan God voor de gemaakte keuzes. Dus, ondanks hun eigen overtuigingen, worden bahá'ís opgedragen om tolerant en respectvol te zijn voor degenen wiens opvattingen verschillen van die van henzelf, om anderen niet te beoordelen volgens bahá'í-normen en niet te proberen deze normen aan de samenleving op te leggen. Vooroordelen van welke aard dan ook druisen volledig in tegen de geest van het Geloof; want ingebed in het ethos van de Bahá’í-gemeenschap is de erkenning dat "liefde licht is, ongeacht in welke verblijfplaats zij woont; en haat is duisternis, waar het ook zijn nest maakt." Of je nu gelovig bent of niet, Bahá'u'lláh spoort alle mensen aan "om deze korte periode van het leven met oprechtheid en eerlijkheid te doorkruisen"; om "verdraagzaamheid, barmhartigheid, mededogen en liefdevolle vriendelijkheid jegens alle volkeren en geslachten van de aarde" te tonen.

Door Bahá'u'lláh vrijelijk te erkennen als de Manifestatie van God – de goddelijke Opvoeder – voor dit tijdperk, kiezen Bahá'ís er ook vrijelijk voor om zich aan Zijn leringen te houden, waarvan zij geloven dat ze het individuele potentieel zullen wekken, de ontwikkeling van spirituele kwaliteiten zullen bevorderen en zullen bijdragen aan het welzijn van de samenleving als geheel. Ware vrijheid wordt dus gevonden in het erkennen dat mensen spirituele wezens zijn die streven naar een hoger doel; door verder te gaan dan alleen materiële inzichten in de werkelijkheid door gebruik te maken van de capaciteiten van zowel rede als geloof bij het navigeren door de uitdagingen van het leven.

Antwoorden op veel gestelde vragen

Wat is de bahá'í-visie met betrekking tot identiteit? 
De vraag naar identiteit – wat het is en wie het definieert – raakt de kern van hoe de bahá'í-leringen over homoseksualiteit kunnen worden begrepen. Voor degenen die in Bahá'u'lláh geloven, is het iemands spirituele essentie, de menselijke ziel, die iemands ware identiteit vormt, en het is de Manifestatie van God, de bron van waarheid in elk tijdperk, die ons begrip van deze realiteit verlicht en de leringen voorschrijft die de ziel in staat zullen stellen dichter bij haar Schepper te komen en waar geluk te bereiken. In dit verband leert Bahá'u'lláh dat de ziel geen geslacht, ras of andere fysiek toegeschreven identiteiten heeft. Het is een spirituele realiteit die al deze onderscheidingen overstijgt. Vanuit dit gezichtspunt begrijpen bahá'ís dat de autonomie en het welzijn van mensen niet alleen worden bepaald door de wetten en beperkingen van de natuurlijke wereld, maar ook door een objectief spiritueel bestaan dat er integraal mee verbonden is. Naarmate mensen vooruitgang boeken door fysieke wetten te begrijpen en toe te passen, gaan ze ook vooruit door spirituele concepten en principes in hun leven te internaliseren. 

In wezen bieden de bahá'í-leringen een conceptie van de menselijke identiteit waarin de innerlijke aspiraties van het zelf zijn afgestemd op de doelen van een rechtvaardige, empathische en creatieve sociale realiteit, waardoor een meer expansief gevoel van menselijke identiteit wordt geboden, een die de aangeboren adel van iedereen bevestigt, waar elk menselijk wezen "in de wereld wordt geboren als een vertrouwen van het geheel". Zoals verwoord door Bahá'u'lláh: "Laat uw visie wereldomvattend zijn, in plaats van beperkt tot uw eigen zelf." 

Kan iemand bahá'í worden? 
De deuren van de Bahá’í-gemeenschap staan voor iedereen open; dit geldt evenzeer voor mensen met een homoseksuele geaardheid. In de late jaren 1940 werd Shoghi Effendi, de Behoeder van het Bahá'í-geloof en het toenmalige hoofd ervan, geïnformeerd en gevraagd naar de situatie van een groep jonge mannen met homoseksuele geaardheid die diep geïnteresseerd waren in het Bahá'í-geloof en van wie sommigen bahá'í wilden worden. In zijn antwoord adviseerde hij dat de jongemannen "behandeld moeten worden als alle andere mensen die toegang zoeken tot het Bahá'í-geloof, en op dezelfde basis moeten worden geaccepteerd." Die aanpak gaat door tot op de dag van vandaag. Geassocieerd met het lidmaatschap van de Bahá'í-gemeenschap is de verwachting dat al diegenen die Bahá'u'lláh als een Manifestatie van God aanvaarden, een oprechte en aanhoudende inspanning zullen leveren om hun gedrag af te stemmen op Zijn leringen. Dit is precies de definitie van wat het betekent om bahá'í te zijn. Gelovigen die aantrekkingskracht tot hetzelfde geslacht ervaren, kiezen vrijelijk dit pad van het observeren van de "raadgevingen" van God, uit liefde voor "Zijn schoonheid", want om dit te doen, realiseert dit het essentiële spirituele doel van de ziel. Als iemand zich niet formeel wil inschrijven als bahá'í, is hij of zij nog steeds welkom om deel te nemen aan bahá'í-activiteiten. Het is opmerkelijk dat op veel locaties over de hele wereld degenen die geen aanhangers zijn een actieve rol spelen bij het verrijken van devotionele, educatieve en sociale initiatieven geïnspireerd door bahá'í-principes. 

Wat voor soort leiding wordt gegeven aan bahá'ís die moeite hebben om zich te gedragen in overeenstemming met bahá'í-normen? 
Er is een verschil tussen de staat waarin je je aangetrokken voelt tot mensen van hetzelfde geslacht en de praktijk van homoseksualiteit. Zodra een individu Bahá'u'lláh erkent als de Manifestatie van God voor deze tijd, dan zal hij of zij er net als andere gelovigen naar streven zijn leringen te volgen, ongeacht de specifieke uitdagingen waarmee hij of zij persoonlijk te maken kan krijgen. Alle gelovigen worstelen op verschillende manieren om een bahá'í-leven te leiden, en er is geen reden waarom de uitdaging om zich aangetrokken te voelen tot personen van hetzelfde geslacht boven anderen zou moeten worden uitgekozen. Het leven brengt elke ziel verschillende beproevingen met zich mee, en de uitdaging die sommige zielen hebben met de bahá'í-leringen met betrekking tot homoseksualiteit is in wezen niet anders dan die waarmee anderen worden geconfronteerd bij het vasthouden aan andere leringen. Een sympathieke benadering van de kwestie van homoseksualiteit is zeker gerechtvaardigd en de inspanningen van mensen met een homoseksuele geaardheid die ernaar streven het bahá'í-leven te leiden, verdienen bewondering. Ze zijn vrij om deel te nemen aan dienstbaarheid aan de gemeenschap, en ze moeten weten dat de instellingen van het Bahá'í-geloof niet aan het privéleven van de gelovigen wrikken. 

Zijn de bahá'í-leringen over homoseksualiteit in overeenstemming met de bevindingen van de wetenschap? 
Hoewel de wetenschap inzicht kan geven in wat natuurlijk is - dat wil zeggen, wat er in de natuur verschijnt - spreekt het niet over de vraag of een "natuurlijk" gedrag wel of niet moet worden uitgedrukt. Een strikt materieel perspectief dat de natuur als perfect beschouwt, wordt door bahá'ís niet geaccepteerd. In de bahá'í-leringen wordt een onderscheid gemaakt tussen wat mensen geneigd zijn te doen en wat uiteindelijk ons spirituele doel het beste vertegenwoordigt. Het bahá'í-begrip van homoseksualiteit wordt daarom gezien als een kwestie van moreel begrip en actie in plaats van een wetenschappelijke vraag. 

Geloven bahá'ís dat homoseksualiteit een aandoening is die onderworpen is aan medische interventie? 
Het perspectief van de medische gemeenschap op homoseksualiteit is in de loop der jaren aanzienlijk veranderd. De vraag is echter niet of de seksuele geaardheid kan worden veranderd, maar of men als bahá'í zich probeert te houden aan Bahá’u’lláh’s leringen. Het wordt aan de individuele gelovige overgelaten om te bepalen of counseling of een andere benadering in dit opzicht van persoonlijke hulp zou zijn. 

Wat zou de houding van een bahá'í moeten zijn ten opzichte van zijn of haar kind dat een homoseksuele geaardheid heeft? 
Een ouder in zo'n situatie zou natuurlijk diepe en blijvende liefde voor zijn of haar kind blijven uiten. Als het kind de leeftijd van volwassenheid heeft bereikt en zichzelf niet als bahá'í beschouwt, dan zou de bahá'í-wet natuurlijk niet op het kind van toepassing zijn. De ouder moet zich ervan bewust zijn dat bahá'ís worden opgedragen respect te hebben voor degenen wiens opvattingen verschillen van die van henzelf, en zij beoordelen anderen niet volgens hun eigen normen. Als het kind bahá'í is, zou de ouder het kind willen aanmoedigen om na te denken over de hierboven besproken principes over identiteit en de strijd van elke gelovige om de leringen van de Manifestatie van God te volgen. 

Wat moet een bahá'í met een homoseksuele geaardheid doen als hij of zij vooroordelen ervaart in de Bahá’í-gemeenschap? 
De bahá'í-leringen brengen het geloof in dat elke menselijke ziel onuitwisbaar is ingeprent met het beeld van God; dit biedt de ultieme waardigheid die iedereen zoekt. Bahá'u'lláh roept Zijn volgelingen op om zich te concentreren op en eenheid in de wereld tot stand te brengen: 'houdt vasthoudend vast aan datgene wat gemeenschap, vriendelijkheid en eenheid zal bevorderen', en 'weest gij als de vingers van één hand, de leden van één lichaam." Met dit doel voor ogen streven bahá'ís ernaar om "allesomvattende liefde" en respect voor elk lid van de gemeenschap te manifesteren, om sociale omgevingen van individuele en wederzijdse bloei te creëren. Er is geen plaats voor oordelende houdingen en zelfingenomenheid. Daarom zou het volledig tegen de geest van het Bahá'í-geloof zijn om mensen met een homoseksuele geaardheid met vooroordelen of minachting te beschouwen. In hun inspanningen om verenigde gemeenschappen op te bouwen, is het onvermijdelijk dat bahá'ís medegelovigen zullen tegenkomen wier gedrag niet volledig in overeenstemming is met de normen van hun geloof. Wanneer men geconfronteerd wordt met dergelijke tekortkomingen, kan men vaak anderen positief beïnvloeden door geduld en verdraagzaamheid te tonen. Als het bevooroordeelde gedrag van het lid van de gemeenschap echter aanhoudt en de eenheid ondermijnt, dan zouden bahá'í-instellingen de verantwoordelijkheid hebben om de zaak aan te pakken. 

Waarom vestigen of erkennen bahá'ís het homohuwelijk niet binnen de Bahá’í-gemeenschap? 
In het licht van de leringen van Bahá'u'lláh over huwelijk en seksueel gedrag is het niet mogelijk om het homohuwelijk binnen de Bahá’í-gemeenschap te erkennen. Bahá'í zijn betekent erkennen dat Bahá'u'lláh de goddelijk geïnspireerde bron van waarheid is voor dit tijdperk. Het zou een contradictie zijn voor iemand om te belijden Bahá’u’lláh te accepteren, maar toch bewust aspecten van geloof of praktijk die door Hem zijn ingesteld, te verwerpen, te negeren of ermee te worstelen. Als een persoon in een homohuwelijk formeel lid zou willen worden van de Bahá’í-gemeenschap, zou het alleen maar redelijk zijn voor de persoon om een fundamentele tegenstrijdigheid voor zichzelf op te lossen voordat hij beslist of hij de toezegging doet om bahá'í te worden. De Bahá’í-gemeenschap zou geen druk uitoefenen op iemand in deze positie, die in gebed het te nemen pad moet bepalen. Hoewel het voor sommige mensen misschien niet mogelijk is om zich in te schrijven als bahá'ís, kunnen ze, als ze dat willen, hun studie van de bahá'í-leringen voortzetten en ernaar streven deze in hun leven in praktijk te brengen. 

Heeft de Bahá’í-gemeenschap een standpunt over het burgerlijk huwelijk van hetzelfde geslacht? 
Het Bahá'í-geloof neemt geen standpunt in over de seksuele praktijken van degenen die geen aanhangers zijn. De wereldwijde Bahá’í-gemeenschap ziet zichzelf niet als een van de concurrerende sociale groepen en organisaties, die elk strijden om hun specifieke sociale agenda vast te stellen. De benadering van het bewerkstelligen van positieve sociale verandering vermijdt twist en de strijd om de macht, terwijl het probeert mensen te verenigen in de zoektocht naar onderliggende principes en zinvolle maatregelen die kunnen leiden tot de rechtvaardige oplossing van de problemen die de samenleving teisteren. Zoals Bahá'u'lláh zegt: "De vooruitgang van de wereld, de ontwikkeling van naties, de rust van volkeren en de vrede van allen die op aarde wonen, behoren tot de beginselen en verordeningen van God." Maar bij het werken aan sociale rechtvaardigheid en welzijn maken bahá'ís onderscheid tussen die dimensies van publieke kwesties die in overeenstemming zijn met de bahá'í-leringen, die ze actief kunnen ondersteunen, en die niet, die ze niet zouden bevorderen of noodzakelijkerwijs zouden bestrijden. In verband met de kwestie van homoseksualiteit streven bahá'ís ernaar een einde te maken aan discriminatie en de fundamentele mensenrechten van alle mensen te beschermen, terwijl ze de mogelijkheid van het burgerlijk huwelijk niet bevorderen of tegenwerken.

Ondervind je zelf uitdagingen omtrent dit onderwerp? Neem gerust contact met ons op.